Baartse Mennema Administratieve en Fiscale zaken

Nieuwsbrief december 2010

PrintversiePrintversie

aandachtspunten jaareinde

Inleiding

Omdat er ieder jaar per 1 januari weer het nodige verandert in de wet- en regelgeving willen wij u met deze uitgave attenderen op zaken die bij voorkeur nog dit jaar geregeld zouden moeten worden en op zaken die beter uitgesteld kunnen worden tot na 1 januari 2011. Daarnaast vragen wij uw aandacht voor een aantal nieuwe regelingen die per 1 januari 2011 of in de loop van 2011 (vermoedelijk) van kracht worden.
Niet alle hier beschreven zaken zijn zonder meer toepasbaar of leiden zonder meer tot voordeel. Het is daarom raadzaam om te overleggen met uw adviseur.
Mocht u behoefte hebben aan meer informatie of aan ondersteuning, aarzelt u dan niet om contact met ons op te nemen.

1. IB-ondernemers

Voor IB-ondernemers gelden enkele fiscale faciliteiten. Om deze faciliteiten te kunnen toepassen moet de ondernemer tenminste 1.225 uur en de helft van zijn werkzame tijd per jaar werken in zijn onderneming.

Let op! In het regeerakkoord heeft het nieuwe kabinet gezegd dat er een nieuwe, geïntegreerde ondernemersfaciliteit komt die gebaseerd is op de bestaande fiscale faciliteiten. De nieuwe faciliteit wil winstgevend ondernemerschap bevorderen en de belemmerende marginale druk uit de zelfstandigenaftrek wegnemen.

Meewerkaftrek

Als uw partner meewerkt in uw onderneming dan kunt u voor deze werkzaamheden een reële arbeidsbeloning betalen of gebruik maken van de meewerkaftrek. Een reële arbeidsbeloning moet in 2010 minimaal € 5.000 bedragen en in 2010 betaald zijn om in 2010 aftrekbaar te zijn van de winst. De meewerkaftrek bedraagt minimaal 1,25% en maximaal 4% van de winst.

Oudedagsreserve

Ondernemers die jonger zijn dan 65 jaar mogen binnen hun onderneming reserveren voor de oude dag in de vorm van de oudedagsreserve. Jaarlijks mag aan de oudedagsreserve 12% van de winst met een maximum van € 11.811 worden toegevoegd. Betaalde premies voor pensioen- en/of lijfrenteverzekeringen verlagen de toevoeging aan de oudedagsreserve. De oudedagsreserve mag na toevoeging niet hoger zijn dan het fiscale ondernemingsvermogen aan het einde van het jaar.

Staking onderneming

Bij staking van de onderneming heeft u éénmalig recht op een aftrek van € 3.630. Dit bedrag wordt verminderd met eerder genoten bedragen aan stakingsaftrek. De belasting over de winst bij staking van de onderneming kunt u uitstellen door een lijfrente aan te kopen. Dat kan bij een verzekeringsmaatschappij, bij degene die uw onderneming overneemt of bij een bank in de vorm van lijfrentesparen of -beleggen.

2. Alle ondernemers

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Als u in 2010 voor meer dan € 2.200 investeert in bedrijfsmiddelen heeft u recht op kleinschaligheidsaftrek, zolang het totale bedrag van de investeringen minder dan € 300.000 bedraagt. De aftrek bedraagt 28% van het investeringsbedrag, maar maximaal € 15.120. Vanaf een totaal investeringsbedrag van € 100.000 daalt de investeringsaftrek met 7,56% van het investeringsbedrag boven € 100.000. Voor samenwerkingsverbanden van zelfstandige ondernemers geldt het gezamenlijke investeringsbedrag als uitgangspunt voor de aftrek.

Let op! Niet alle bedrijfsmiddelen komen voor aftrek in aanmerking.
Voor investeringen in zeer zuinige personenauto's en nulemissie-voertuigen heeft u met ingang van 2011 wel recht op investeringsaftrek.

Tip! Het kan verstandig zijn om verdere investeringen uit te stellen tot na 1 januari 2011, bijvoorbeeld wanneer het investeringsbedrag boven het maximum van € 300.000 uitkomt.

Wanneer eerdere investeringen waarvoor u destijds investeringsaftrek hebt gehad ongedaan worden gemaakt binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar van aanschaf, moet u de belastbare winst verhogen met een desinvesteringsbijtelling.

Tip! Het kan zinvol zijn desinvesteringen uit te stellen tot na de jaarwisseling.

Willekeurige afschrijving

Investeringen die in 2010 of in 2011 worden gedaan, kunnen in afwijking van de reguliere afschrijvingstermijnen in minimaal twee jaar worden afgeschreven. De hoogte van de afschrijving is willekeurig, maar bedraagt maximaal 50% per jaar. De willekeurige afschrijving is een tijdelijke maatregel die alleen geldt voor nieuwe bedrijfsmiddelen. De regeling geldt niet voor gebouwen, immateriële activa en personenauto's. Taxi's en zeer zuinige personenauto's mogen wel willekeurig worden afgeschreven. Het bedrijfsmiddel moet vóór 1 januari 2013 resp. 2014 in gebruik zijn genomen.

Innovatie

WBSO
Voor ondernemers die in een jaar tenminste 500 uur besteden aan speur- en ontwikkelingswerk bestaat een speciale WBSO-aftrek. Indien u in het bezit bent van een S&O-verklaring kunt u maximaal € 12.031 in aftrek brengen. Voor starters wordt de aftrek met 50% verhoogd.
Mocht u in 2010 niet voor deze aftrek in aanmerking komen maar wel in 2011, zorg er dan voor om tijdig uw S&O-verklaring aan te vragen. Uw aanvraag over het eerste kwartaal van 2011 moest vóór 1 december 2010 zijn ingediend.

Afdrachtvermindering WBSO

De mogelijkheden van de afdrachtvermindering WBSO zijn in 2010 verruimd door het oprekken van de loongrens in de eerste schijf van € 150.000 naar € 220.000. Voor 2011 geldt dezelfde loongrens. De afdrachtvermindering bedraagt in 2011 46% in de 1e schijf en 16% in de 2e schijf. Het plafond voor 2011 bedraagt € 11 miljoen.

3. BV en NV

Innovatiebox

Bedrijven kunnen voor uitvindingen en technische toepassingen gebruik maken van de innovatiebox. Deze box is bedoeld als een fiscale stimulans. Er geldt een effectief belastingtarief van 5% en een drempel ter grootte van de gemaakte kosten van research en development. De innovatiebox kan ook worden toegepast voor immateriële activa die zijn ontstaan uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor de onderneming een S&O-verklaring heeft gekregen.
Exploitatieverliezen van een immaterieel actief die in de innovatiebox vallen kunnen in de jaren 2009 en 2010 volledig, in plaats van tegen een effectief tarief van 5%, in aanmerking worden genomen.

Verruiming verliesverrekening

Er geldt een tijdelijke mogelijkheid tot verruiming van de verliesverrekening in de vennootschapsbelasting. De verrekening van verliezen met winsten van oudere jaren is normaal beperkt tot één jaar. Deze achterwaartse verliesverrekening wordt op verzoek verlengd tot drie jaren. In ruil hiervoor wordt dan de voorwaartse verliesverrekening beperkt van negen tot zes jaar. Er geldt een plafond van € 10 miljoen per jaar.

4. Personeel

Werkkostenregeling

Per 1 januari 2011 treedt de werkkostenregeling in werking. Dat betekent een ingrijpende wijziging van de systematiek van vergoedingen en verstrekkingen aan personeel. De werkgever die daarvoor kiest kan nog drie jaar, dus tot en met 2013, gebruik blijven maken van de huidige regeling. Die keuze kan ieder jaar opnieuw gemaakt worden.
Uitgangspunt van de werkkostenregeling is dat alle vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers loon vormen. Dat geldt ook als de kosten voor 100% zakelijk zijn. De werkgever kan bepaalde vergoedingen en verstrekkingen aanwijzen die binnen een bepaald budget belastingvrij vergoed kunnen worden. Dat budget bedraagt 1,4% van de totale fiscale loonsom van de onderneming. Overschrijden de kosten het beschikbare budget, dan valt het meerdere onder een eindheffing van 80%. Eindheffing wil zeggen dat de loonheffing voor rekening van de werkgever komt en niet wordt doorbelast aan de werknemer.
Voordeel van de werkkostenregeling is dat er geen normeringen en beperkingen meer gelden. Er hoeft dus niet meer per werknemer te worden bijgehouden wat er vergoed of verstrekt wordt. Zo kan aan een werknemer een fiets worden verstrekt zonder rekening te houden met het huidige maximumbedrag van € 749 en zonder te controleren of de werknemer in voorgaande jaren al een fiets van de zaak heeft gehad en of hij de fiets wel vaak genoeg gebruikt voor het woon-werkverkeer.

Bijzondere posten

Voor een aantal verstrekkingen geldt dat een eventuele beloningscomponent daarin op nihil wordt gewaardeerd. Het gaat om zaken die de werkgever aan zijn werknemers ter beschikking stelt. Deze verstrekkingen komen dus niet ten laste van de vrije ruimte. Daarnaast gelden voor bepaalde verstrekkingen bijzondere waarderingen.
Voor een deel van de kosten blijft het oude regime gelden. Deze kosten kunnen onbelast vergoed worden zonder invloed op het budget van de werkkostenregeling.

Aanpassingen bij keuze voor de werkkostenregeling

Wat moet u doen om u voor te bereiden op de invoering van de werkkostenregeling?
U moet vaststellen welke vergoedingen en verstrekkingen u nu doet aan uw werknemers. Vervolgens moet u bepalen welk deel van deze kostenposten binnen de werkkostenregeling onder de gerichte vrijstellingen valt en voor welk deel een nihilwaardering geldt. Daarna stelt u vast wat uw vrije ruimte is door te bepalen wat de fiscale loonsom is. Als het deel van de vergoedingen en verstrekkingen dat ten laste komt van de vrije ruimte niet meer bedraagt dan 1,4% van de totale loonsom, kunt u kiezen voor de werkkostenregeling.
Bedraagt het deel van de vergoedingen en verstrekkingen meer dan 1,4% van de totale loonsom, dan ligt een keuze voor de overgangsregeling voor de hand.
Ook in dat geval is het verstandig om uw arbeidsvoorwaarden aan te passen, zodat u uiterlijk op 1 januari 2014 binnen de vrije ruimte blijft.

Arbeidsvoorwaarden

In verband met de invoering van de werkkostenregeling kan het nodig zijn om de bestaande arbeidsvoorwaarden aan te passen. Om de lastenverzwaring door de eindheffing te voorkomen kan het verstandig zijn om vergoedingen die in de vrije ruimte vallen te vervangen door vergoedingen waarvoor gerichte vrijstellingen gelden of nhilwaarderingen. Ook kan het zinvol zijn om vergoedingen uit te sluiten van de vrije ruimte, waardoor deze normaal belast loon voor de werknemer vormen.
Bestaande vaste vergoedingen voor werknemers kunnen componenten bevatten die ten laste van de vrije ruimte komen. Als de vrije ruimte al wordt vol gemaakt met andere vergoedingen, wordt de vaste vergoeding deels belast.
Als er in de arbeidsovereenkomsten met uw personeel geen eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen kunt u de arbeidsvoorwaarden alleen in overleg met uw werknemers aanpassen. Begin daar op tijd mee.
U moet het totale bedrag van de vergoedingen en verstrekkingen in de vrije ruimte weten om te kunnen beoordelen of u binnen uw vrije ruimte blijft. Dit totaalbedrag moet uit uw financiële administratie blijken. Staat in de financiële administratie geen btw bij de vergoedingen en verstrekkingen, dan moet u de btw alsnog toevoegen. Verder moet u het totale bedrag aan vergoedingen in uw financiële administratie kunnen koppelen aan het fiscale loon in uw loonadministratie om te toetsen of u binnen uw vrije ruimte blijft.

Eigenrisicodrager WIA/WGA

Werkgevers kunnen het risico van arbeidsongeschiktheid van hun werknemers publiek verzekeren bij UWV of ervoor kiezen om het risico zelf te dragen, eventueel in combinatie met private (her)verzekering. Wisselen van regime kan per 1 januari en 1 juli van ieder jaar. De keuze voor een verandering moet drie maanden voor de gewenste datum worden doorgegeven aan UWV. De werkgever die ervoor heeft gekozen om eigenrisicodrager te worden, betaalt zelf de kosten van uitkeringen en re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers. Daarnaast moet hij erop toezien dat gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers hun verplichtingen nakomen.
Een werkgever die niet langer eigenrisicodrager wil zijn blijft verantwoordelijk voor lopende WGA-uitkeringen en ook voor WGA-uitkeringen van werknemers die ziek zijn geworden in de periode dat hij eigenrisicodrager was.
Eigen risico dragen is aantrekkelijk als de werkgever verwacht dat de kosten van uitkeringen voor (ex-)werknemers lager zijn dan de verzekeringspremies die hij voor die uitkeringen zou moeten betalen. Dit kan het geval zijn als er tussen 2001 en 2005 geen of een lage WAO-instroom was of als er vanaf 2006 nog geen instroom in de WGA is geweest en er geen langdurig zieke werknemers zijn.

Auto van de zaak voor werknemers

Om een bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak te voorkomen moet een werknemer bewijzen dat hij minder dan 500 km per jaar privé rijdt met de auto. Dat bewijs kan de werknemer leveren met een gedetailleerde rittenadministratie. De werkgever moet de rittenadministratie controleren en bij zijn loonadministratie bewaren. De bijtelling kan ook achterwege blijven indien de werknemer een verklaring aflegt bij de belastingdienst dat hij de auto niet privé gebruikt en deze verklaring aan de werkgever overhandigt.

Let op! Wees attent op de gevolgen van het intrekken van een verklaring geen privégebruik in de loop van het jaar. De bijtelling geldt namelijk voor het gehele jaar indien een auto ter beschikking staat en moet dus gecorrigeerd worden om te voorkomen dat te weinig loonbelasting is betaald.

Reiskostenvergoeding

Zowel voor woon-werkverkeer als voor andere zakelijke ritten geldt een belastingvrije vergoeding van € 0,19 per kilometer. Die vergoeding geldt ongeacht de vorm van vervoer en kan ook gegeven worden aan werknemers die met een fiets, die zij in het kader van een fietsplan hebben aangeschaft, naar het werk komen. De vergoeding kan niet worden gegeven aan werknemers aan wie een fiets ter beschikking is gesteld.

Let op! Na de invoering van de werkkostenregeling geldt voor reiskosten een gerichte vrijstelling.

Fiets van de zaak

Eén van de mogelijkheden voor fiscaal vriendelijk belonen van werknemers is de fiets van de zaak. Deze regeling houdt in dat u eenmaal per drie jaar een fiets aan de werknemer cadeau kunt doen tot een maximumbedrag van € 749, of de werknemer een belastingvrije bijdrage in de aanschafkosten van een fiets kunt geven tot dit bedrag. De werknemer moet de fiets wel voor de helft van zijn werkdagen voor woon-werkverkeer gebruiken. Er hoeft geen bijtelling bij het loon van de werknemer plaats te vinden. Daarnaast kan er een belastingvrije vergoeding voor bijkomende kosten als verzekering of een regenpak worden gegeven.

Let op! Bij toepassing van de werkkostenregeling vervalt deze regeling! Uiteraard kan indien daarvoor gekozen wordt ook onder de werkkostenregeling een fiets worden verstrekt.

Kerstpakketten

Voor geschenken in natura (kerstpakketten) bij feestdagen of jubilea is er een faciliteit in de loonbelasting opgenomen. De loonbelasting komt dan als eindheffing voor uw rekening tegen een bijzonder tarief van 20%. De waarde van het geschenk mag per werknemer niet meer dan € 70 bedragen. Los van deze mogelijkheid kan de eindheffing tegen het normale loonbelastingtarief worden toegepast op andere geschenken aan de werknemer, mits de waarde daarvan per keer niet hoger is dan € 136 en er niet meer dan € 272 per werknemer per jaar wordt geschonken. Geschenken in de vorm van geld gelden altijd als loon.

Let op! Bij toepassing van de werkkostenregeling vervalt deze regeling!

Spaarloon en levensloop

De spaarloonregeling geldt niet als het personeel van een BV slechts bestaat uit de directeur-grootaandeelhouder (dga) en eventueel zijn meewerkende echtgenote die tenminste 1/3 van het aandelenkapitaal in hun bezit hebben.
Als de BV ook overig personeel in dienst heeft dat van de regeling gebruik kan maken, mogen ook de dga en zijn meewerkende partner gebruik maken van de spaarloonregeling.
De eis van overig personeel voor deelname geldt niet voor de levensloopregeling. De dga kan daaraan zondermeer deelnemen en zo jaarlijks 12% van zijn salaris sparen, bijvoorbeeld om eerder met pensioen te gaan.
Het spaartegoed wordt pas belast op het moment dat u daaruit opneemt. Voor ieder jaar dat u in de levensloopregeling heeft gespaard, heeft u bij opname recht op een heffingskorting van € 199 (2010). Het spaarsaldo valt buiten de heffing in box 3. U moet wel bij een bank of een verzekeraar sparen.

Let op! In het regeerakkoord heeft het kabinet gezegd dat het de levensloopregeling en het spaarloon wil samenvoegen tot één regeling voor zorgtaken, scholing, het opzetten van eigen bedrijf, demotie of deeltijdpensioen. De regeling kan niet worden gebruikt voor vervroegd uitreden.

5. Omzetbelasting

Btw-herrekening

Voor het laatste aangiftetijdvak van het jaar moet u een herrekening maken van de af te dragen btw over het kalenderjaar. Indien het gebruik van bedrijfsmiddelen verandert van belaste naar vrijgestelde prestaties of omgekeerd moet een herrekening plaatsvinden van de in aftrek gebrachte btw. Voor roerende bedrijfsmiddelen is het herrekentijdvak 5 jaar en voor onroerende zaken is dit 10 jaar. Als een onroerende zaak meer dan twee jaar leeg staat dan dient de btw ook te worden herrekend.
De voorbelasting die u op autokosten heeft aangegeven dient jaarlijks gecorrigeerd te worden voor het privégebruik van de auto van de zaak. De correctie kan forfaitair worden bepaald op 12% van 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde. U mag echter ook 12% afdragen over het werkelijk privégebruik van zakenauto's van uw medewerkers.
Het privégebruik is aan te tonen door een sluitende kilometeradministratie. De Hoge Raad heeft toegestaan dat de ANWB-tabellen voor autogebruik als norm worden gehanteerd. U dient na te gaan of de btw over de werkelijk verreden privékilometers lager uitvalt dan de btw over het autokostenforfait. Indien dit het geval is hoeft slechts dit lagere bedrag afgedragen te worden.
Per 1 januari 2008 vormt het privégebruik van ondernemingsgoederen voor de omzetbelasting een belaste dienst. Voor het privégebruik moet u btw afdragen over de gemaakte uitgaven. Gemaakte uitgaven zijn de kosten van verwerving of vervaardiging van een goed en de kosten van onderhoud, verbouwing, verbetering en herstel van het goed.

Let op! Denk ook aan het privégebruik elektriciteit, gas, warmte en water, aan relatiegeschenken en personeelsvoorzieningen.

Btw op investeringsgoederen

Bij de Tweede Kamer is een voorstel ingediend om de Wet op de Omzetbelasting te wijzigen met betrekking tot de voorbelasting op onroerende zaken die behoren tot het ondernemingsvermogen en die zowel zakelijk als privé worden gebruikt. Het privégebruik betreft niet alleen het gebruik door de ondernemer zelf, maar ook het gebruik door zijn personeel en het gebruik voor andere dan bedrijfsdoeleinden. De aftrek van voorbelasting wordt beperkt tot een aan het zakelijk gebruik evenredig gedeelte. Het privégebruik van deze onroerende zaken wordt dan niet langer gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel. Daarmee wordt teruggekeerd naar de situatie van voor het arrest Charles en Charles-Tijmens van het Hof van Justitie EG uit 2005. Het is de bedoeling dat de wetswijziging op 1 januari 2011 in werking treedt.

6. DGA

Vaststelling salaris

Voor zover dat nog niet is gebeurd moet het salaris van 2010 dat u als dga van de BV ontvangt worden vastgesteld. Houd wel rekening met de gebruikelijk loonregeling. De wetgever gaat er namelijk van uit dat u een reëel salaris krijgt. Dit bedraagt minimaal € 41.000 per jaar. Indien uw salaris meer dan 30% afwijkt van het salaris dat gebruikelijk is voor uw functie mag de inspecteur uw beloning corrigeren tot het binnen de marge van 30% ligt. Met ingang van 2010 is de gebruikelijk loonregeling versoepeld. De regeling geldt nu alleen nog voor mensen die een aanmerkelijk belang hebben in de vennootschap waarvoor zij werkzaamheden verrichten. Met ingang van 2010 hoeft de gebruikelijk loonregeling niet toegepast te worden als de werkzaamheden zo beperkt zijn dat een gebruikelijke beloning daarvoor niet hoger is dan € 5.000 per jaar.

Inbreng aan BV verhuurd pand

Tot en met 31 december 2010 hebt u éénmalig de mogelijkheid om een ter beschikking gesteld pand in te brengen in een BV zonder heffing van inkomstenbelasting of overdrachtsbelasting. Voor de inkomstenbelasting wordt het pand tegen de boekwaarde doorgeschoven. Als u een pand inbrengt in een BV moet u na de inbreng tenminste 90% van het aandelenkapitaal bezitten in deze BV. Deze BV hoeft geen materiële onderneming te drijven.

Tbs en gemeenschap van goederen

Vermogensbestanddelen die onder de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 vallen en die behoren tot de algehele of een beperkte gemeenschap van goederen van een echtpaar, worden op grond van een wetsvoorstel binnenkort voor de helft toegerekend aan ieder van de echtgenoten. De voorgestelde wijziging is een reactie op een arrest waarin de Hoge Raad heeft gezegd dat een vermogensbestanddeel dat onderdeel is van een goederengemeenschap van echtgenoten moet worden toegerekend aan degene die de bestuursmacht over het vermogensbestanddeel heeft.
Er komt een doorschuifregeling voor het geval de terbeschikkingstelling aan een BV door het echtpaar wordt beëindigd als gevolg van de omzetting in een eenmanszaak die door een van de echtgenoten wordt gedreven. Ook komt er een doorschuifregeling voor de overgang krachtens huwelijksvermogensrecht van een evenredig deel van een vermogensbestanddeel van de belastingplichtige naar zijn echtgenoot. Voorwaarde is dat de echtgenoot binnenlands belastingplichtig is en het evenredig deel bij de echtgenoot tot een werkzaamheid behoort.

7. Privé

Middeling van inkomens

De middelingsregeling is bedoeld om mensen tegemoet te komen die een sterk wisselend inkomen in box 1 hebben. Bij een sterk wisselend inkomen, waarbij u het ene jaar wel en het andere jaar niet in het hoogste belastingtarief valt, kan het zijn dat u in totaal meer belasting hebt betaald dan het geval zou zijn bij een meer gelijkmatige verdeling van hetzelfde inkomen over de jaren. Met de middelingsregeling kan een vermindering van belasting worden verkregen. De inkomens over drie opeenvolgende jaren worden gemiddeld waarna de belasting per jaar over het gemiddelde inkomen wordt berekend.

Het verschil tussen de aanvankelijk berekende belasting en de herrekende belasting, verminderd met een drempelbedrag van € 545, wordt op verzoek teruggegeven.
Het middelingsverzoek moet gedaan worden binnen drie jaar nadat de aanslagen over de betreffende jaren definitief zijn geworden. Een kalenderjaar mag maar één keer in een middeling worden betrokken.
De keuze voor een middelingstijdvak kan veel verschil maken. Het is daarom zinvol een (voorlopige) berekening te laten maken over verschillende periodes.

Eigen woning
Tijdelijke maatregelen

Er geldt een aantal tijdelijke maatregelen om de woningmarkt te stimuleren:

  1. Van 1 oktober 2010 tot 1 juli 2011 geldt voor renovatie en herstel van woningen het verlaagde btw-tarief van 6% op arbeidsloon. Het lage tarief geldt niet voor de gebruikte materialen. Onder renovatie- en herstelwerkzaamheden vallen het vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden van een woning die minimaal 2 jaar oud is. Overigens valt de verbouwing van garages, schuren, aan- en uitbouwen ook onder het lage tarief als zij zich bevinden op hetzelfde perceel als de woning.
    Het lage btw-tarief geldt niet voor diensten als glazenwassen, de aanleg en het onderhoud van tuinen, het vervangen van gordijnen en zonwering, het leggen en onderhouden van vloerbedekking en vloeren, de werkzaamheden van architecten en voor sloopwerkzaamheden anders dan voor renovatie- of herstelwerkzaamheden.
    Het verlaagde tarief geldt als de werkzaamheden zijn afgerond op of na 1 oktober 2010 en vóór 1 juli 2011. Als de werkzaamheden niet vóór 1 juli 2011 zijn afgerond, dan geldt het verlaagde btw-tarief ook niet voor de werkzaamheden die vóór 1 juli 2011 zijn verricht.
  2. De verhoogde grens van € 350.000 voor de NHG-garantie op hypotheken geldt ook in het jaar 2011.
  3. De periode waarin mensen dubbele hypotheeklasten (nieuw huis gekocht, oude woning nog niet verkocht) in aftrek kunnen brengen wordt verlengd van twee tot drie jaar. Deze regeling vervalt eind 2012.
  4. De regeling waarbij mensen na een verhuurperiode van de woning weer recht hebben op hypotheekrenteaftrek wordt met één jaar verlengd en loopt nu tot eind 2012.
  5. Als een woning wordt gekocht en binnen zes maanden wordt doorverkocht dan is bij de tweede verkoop alleen overdrachtsbelasting verschuldigd over de eventuele winst. Voor 2011 wordt de termijn van zes maanden verlengd tot een heel jaar.
Lijfrentepremie

Wie jonger is dan 65 jaar heeft de mogelijkheid om een bestaand pensioentekort aan te vullen door middel van een lijfrenteverzekering of een lijfrentespaar- of -beleggingsrekening. De premie daarvan is tot een zeker maximum aftrekbaar. De veelal ingewikkelde berekening van de jaarruimte kan pas na het einde van het jaar worden gemaakt. De premie is daarom aftrekbaar in 2010 indien deze wordt gestort in de eerste 3 maanden van 2011. Uiteraard hebt u de keuze om de in 2011 betaalde premie in dat jaar in aftrek te brengen. Of het voordelig is om deze premie in 2010 in aftrek te brengen hangt onder meer af van de hoogte van uw inkomens in 2010 en 2011 en van de hoogte van de premie.

Giften

Onder voorwaarden kunt u gedane giften van uw inkomen aftrekken. Het gaat dan om giften aan instellingen die door de belastingdienst zijn aangemerkt als het algemeen nut beogende instellingen. Er geldt een aftrekdrempel van 1% van het verzamelinkomen van u en uw fiscale partner samen. De drempel bedraagt minimaal € 60. De aftrek kan niet hoger zijn dan 10% van het gezamenlijke verzamelinkomen. In verband met de aftrekdrempel is het raadzaam uw giften voor twee jaar te bundelen en in één jaar te doen, bijvoorbeeld door de voor 2011 geplande giften al in 2010 te doen.

Tip! Als u gedurende een reeks van jaren grotere giften doet aan dezelfde instelling, is het voordeliger om dit te doen in de vorm van een periodieke uitkering. De aftrekdrempel geldt namelijk niet voor dergelijke giften als de looptijd tenminste vijf jaar bedraagt en er een notariële schenkingsakte is opgemaakt.

Betaling belastingaanslagen

Het verdient aanbeveling om uw openstaande belastingaanslagen nog dit jaar te betalen. Daardoor verlaagt u de rendementsgrondslag van box 3 omdat niet betaalde belastingen niet als schuld meetellen in box 3. Als u weet dat u over uw box 1-inkomen van 2010 belasting moet bijbetalen, dan kunt u ter vermindering van de rendementsgrondslag ook het bij te betalen bedrag al vóór 31 december betalen. Wanneer u vóór 1 oktober schriftelijk heeft gevraagd om een (nadere) voorlopige aanslag mag u ervan uitgaan dat deze tijdig wordt opgelegd en dus voor 31 december kan worden betaald. Legt de inspecteur ondanks een tijdig verzoek de aanslag pas zo laat op dat u deze redelijkerwijs niet op 31 december kunt hebben betaald, dan mag de desbetreffende belastingschuld toch als betaald worden beschouwd bij de berekening van de rendementsgrondslag in box 3. Het in mindering te brengen bedrag mag niet hoger zijn dan het uiteindelijk verschuldigde en binnen de termijn betaalde bedrag.

8. Schenk- en erfbelasting

Schenkingen aan kinderen

Het belangrijkste argument om al tijdens uw leven een deel van uw vermogen over te dragen aan uw kinderen is de besparing van erfbelasting na uw overlijden. Het overgehevelde vermogen maakt immers geen deel meer uit van uw nalatenschap en kan dus niet meer worden belast met erfbelasting. Als besparing van erfbelasting de opzet is, moet u schenkingen niet zomaar doen maar hiervoor een schenkingsprogramma opstellen. Spreiding van schenkingen over een bepaalde periode, bijvoorbeeld vijf of tien jaar, leidt tot een optimaal gebruik van de jaarlijkse vrijstelling voor schenkingen aan kinderen. Daarnaast kan de progressie in het tarief worden bestreden. Een bijkomend voordeel is dat de aangroei van het vermogen na de schenking bij de kinderen plaatsvindt en dus niet met erfbelasting wordt belast na uw overlijden.

Een schenking aan uw kinderen in 2010 is vrij van schenkbelasting tot een bedrag van € 5.000 per kind. Voor kinderen tussen 18 en 35 jaar geldt éénmalig een verhoogde vrijstelling van € 24.000. Deze éénmalig verhoogde vrijstelling kan verder worden verhoogd tot € 50.000 als de schenking betrekking heeft op financiering van de eigen woning van het kind of op een dure studie van het kind. Boven de vrijstelling geldt een tarief van 10% over de eerste € 118.000 en van 20% over het meerdere.

9. Checklist

Maak een checklist van alle zaken en aandachtspunten voor 2010 om te controleren of alles op tot geregeld wordt. Denk aan het tijdig indienen van aanvragen, het vastleggen van gemaakte afspraken en dergelijke.

Maak tegelijk een "to do"-lijstje van die zaken die u in 2010 nog moet afwerken.

inkomstenbelasting

10. Aanvullend bewijs geen privégebruik

Een werknemer die een auto van de zaak ook privé mag gebruiken wordt geconfronteerd met een bijtelling bij zijn inkomen. Het voordeel van het privégebruik wordt op jaarbasis gesteld op 25% van de cataloguswaarde van de auto. Voor een aantal categorieën geldt een afwijkend percentage. De werknemer kan de bijtelling voorkomen als hij aantoont dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer privé wordt gebruikt. Dat bewijs kan hij leveren met behulp van een sluitende rittenadministratie.

Een werknemer van een autoverhuur- en leasebedrijf had de beschikking over een auto van de zaak. Hij gebruikte de auto alleen voor woon-werkverkeer. De auto werd daarnaast gebruikt door collega's van de werknemer voor het halen en brengen van huur- en leaseauto's naar verschillende adressen verspreid in het land. Om aan te tonen dat hij de auto alleen voor het woon-werkverkeer gebruikte hield de werknemer een rittenregistratie bij. Die bevatte alle gegevens van het woon-werkverkeer, maar van de ritten overdag door de collega's slechts de begin- en eindstand van de kilometerteller zonder de vermelding van bestemming of de gereden route. Controle op die kilometers was niet mogelijk. Een dergelijke registratie vormt onvoldoende bewijs voor het ontbreken van privégebruik.
Hof Den Haag was van oordeel dat de werknemer geen ander bewijs had aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt, omdat hij geen schriftelijke stukken had overhandigd waarmee de rittenregistratie gecontroleerd kon worden op privégebruik.
Volgens de Hoge Raad is het hof van een onjuist standpunt uitgegaan. Ook de door de werknemer afgelegde verklaringen kunnen bijdragen aan het bewijs dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer privé is gebruikt.

11. Ongebruikelijke terbeschikkingstelling

De terbeschikkingstellingsregeling is van toepassing als de houder van een aanmerkelijk belang een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt aan de BV waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Als de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is, vallen de opbrengsten in box 1 en niet in box 3. De terbeschikkingstellingsregeling is ook van toepassing binnen de familiekring wanneer sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.
Naar het oordeel van Hof Amsterdam was daarvan sprake in de situatie waarin broer en zus samen een kantoorpand kochten van hun vader. De koopsom was zakelijk. De kinderen leenden de koopsom van vader en verleenden hem het recht van hypotheek op het pand. Ook de hypothecaire lening werd verstrekt op zakelijke voorwaarden. Vader droeg de hypothecaire vordering voor de nominale waarde over aan zijn BV. De kinderen verhuurden het pand aan de BV van vader voor een zakelijke prijs. Met de ontvangen huur werden rente en aflossing van de hypotheek betaald. Hof Amsterdam baseerde de maatschappelijke ongebruikelijkheid op het geheel van (rechts)handelingen. De BV huurde een volledig door haar gefinancierd pand zonder enige andere zekerheid voor de financiering dan het recht van hypotheek. Het resultaat van de handelingen was dat de kinderen na 20 jaar de onbezwaarde eigendom zouden verkrijgen van het pand zonder enige materiële tegenprestatie.
De Hoge Raad is van oordeel dat niet alleen de terbeschikkingstellingshandeling zelf moet worden beoordeeld op haar gebruikelijkheid in het maatschappelijke verkeer, maar dat bij de beoordeling van de gebruikelijkheid het geheel van rechtshandelingen dat met de terbeschikkingstelling verband houdt in aanmerking moet worden genomen. Dat betekent dat sprake is van een maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling indien het met een geheel van handelingen bereikte resultaat zodanig is dat een dergelijk samenstel van handelingen zich tussen onafhankelijke derden niet zou voordoen. Of dan onderdelen van dat geheel van handelingen op zichzelf beschouwd wel zakelijk of gebruikelijk zijn is voor de uitkomst niet relevant.

vennootschapsbelasting

12. Onzakelijke lening

Een vordering die de houder van een aanmerkelijk belang heeft op zijn vennootschap valt onder de terbeschikkingstellingsregeling. Het resultaat van de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen wordt bepaald volgens het winstregime. De afboeking van een tot het ondernemingsvermogen behorende onzakelijke vordering kan niet ten laste van de winst worden gebracht. Ook bij een terbeschikkingstelling moet de invloed van een onzakelijk handelen van de belastingplichtige op het resultaat worden geëlimineerd. Heeft de belastingplichtige om aandeelhoudersmotieven een debiteurenrisico aanvaard dat een buitenstaander niet zou willen lopen, dan is sprake van een onzakelijke vordering en kan een eventueel verlies op die vordering niet ten laste van het inkomen worden gebracht.

Een aanmerkelijk belanghouder verstrekte een lening van € 165.000 aan zijn BV. De BV verstrekte geen zekerheden en was niet tot aflossing verplicht. Het eigen vermogen van de BV bedroeg op dat moment € 18.000. De BV leende dit bedrag en een geldlening van de andere aandeelhouder door aan haar dochtermaatschappij. De bank verstrekte een financiering van € 380.000 aan de dochtermaatschappij. Als zekerheid kreeg de bank een pandrecht op roerende zaken en vorderingen op derden. Door het faillissement van de grootste klant ging de dochtermaatschappij failliet. De aandeelhouders wilden een doorstart maken met de bedrijfsactiviteiten van deze klant. In verband daarmee schold de aandeelhouder zijn vordering op de BV kwijt zodat de bestaande verliezen verrekend konden worden. Vervolgens verstrekte de aandeelhouder een nieuwe lening aan de BV. De aandeelhouder waardeerde de oorspronkelijke lening in zijn aangifte inkomstenbelasting af ten laste van het resultaat uit een werkzaamheid.
Het hof vond de lening onzakelijk en stond afwaardering ten laste van het inkomen niet toe. Volgens het hof zou een onafhankelijke derde het debiteurenrisico dat de aandeelhouder op zich had genomen niet hebben genomen. Aandeelhoudersmotieven waren volgens het hof doorslaggevend.

omzetbelasting

13. Tijdstip aftrek voorbelasting

De omzetbelasting moet per tijdvak waarin deze verschuldigd is geworden op aangifte worden voldaan. De omzetbelasting die door andere ondernemers in dat tijdvak in rekening is gebracht, wordt in mindering gebracht op de te betalen omzetbelasting. Dat moet gebeuren in het juiste tijdvak. Het is niet toegestaan om in een later tijdvak voorbelasting uit een eerder tijdvak, die per abuis niet in de aangifte over dat tijdvak in aftrek is gebracht, alsnog in aftrek te brengen. Dat blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad. De casus was als volgt.

Een ondernemer ontving in de eerste twee kwartalen van 2004 diverse facturen waarop in totaal € 30.600 aan omzetbelasting in rekening was gebracht. De ondernemer bracht deze omzetbelasting niet in aftrek op zijn aangiften omzetbelasting over deze kwartalen. In een bezwaarschrift tegen de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2004 verzocht de ondernemer om teruggaaf van de in het eerste halfjaar aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting.

Volgens Hof Leeuwarden had de ondernemer de in het tweede kwartaal 2004 in rekening gebrachte omzetbelasting volledig in aftrek kunnen brengen, omdat hij in het tweede kwartaal alleen belaste prestaties had verricht. De Uitvoeringsbeschikking Omzetbelasting staat echter niet toe om omzetbelasting, die in eerdere tijdvakken aftrekbaar was, alsnog in het laatste tijdvak van het boekjaar in aftrek te brengen. In cassatie betoogde de ondernemer dat het hof buiten de rechtsstrijd was getreden omdat in de procedure voor de rechtbank de mogelijkheid de in het tweede kwartaal in rekening gebrachte omzetbelasting in het vierde kwartaal in aftrek te brengen aan de orde was geweest en de inspecteur zich daartegen niet had verzet.

Volgens de Hoge Raad betrof het geschil de herrekening van de aftrek van omzetbelasting op basis van de voor het gehele boekjaar geldende gegevens. Bij de beoordeling van dit geschil heeft het hof de juiste wettelijke grondslag gehanteerd. Wanneer de rechter dan constateert dat deze wettelijke bepalingen anders moeten worden toegepast dan partijen voor ogen staat, treedt hij daarmee niet buiten de rechtsstrijd. Het oordeel van het hof dat herrekening niet kan worden toegepast op omzetbelasting die de ondernemer in het desbetreffende tijdvak in strijd met de wet in aftrek of niet in aftrek heeft gebracht, is volgens de Hoge Raad juist.
In plaats van de voorbelasting in een later tijdvak te willen verrekenen had de ondernemer beter bezwaar tegen zijn aangifte omzetbelasting over de eerdere kwartalen kunnen maken.

arbeidsrecht

14. Ontslag genomen of gekregen

Soms loopt de discussie tussen een werkgever en een werknemer zo hoog op dat een van hen aangeeft dat de dienstbetrekking beëindigd is. Niet altijd is duidelijk wie de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en wat daarvan de gevolgen zijn.

Naar aanleiding van een discussie over een door de werknemer gewenste vrije middag, leverde de werknemer zijn sleutels van het bedrijfspand in bij de werkgever onder de mededeling "ik vertrek". De werkgever reageerde daarop met de zin: "als je nu gaat, hoef je niet meer terug te komen". De werkgever meende dat de werknemer ontslag had genomen, terwijl de werknemer meende dat de werkgever hem onregelmatig had ontslagen. Dat zou inhouden dat de werkgever schadeplichtig was, omdat de arbeidsovereenkomst was aangegaan voor bepaalde tijd zonder de mogelijkheid van tussentijdse opzegging en er geen dringende reden was voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

In navolging van de kantonrechter was Hof Den Bosch van oordeel dat de werkgever de mededeling van de werknemer niet als duidelijke en ondubbelzinnige ontslagname had mogen opvatten. De werknemer had uit de woorden van de werkgever mogen afleiden dat de werkgever hem na zijn vertrek niet meer terug wilde en de arbeidsovereenkomst niet wilde voortzetten. Niet de werknemer maar de werkgever had de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd. De werknemer had recht op de gefixeerde schadevergoeding.

15. Ontbindende voorwaarde

In de arbeidsovereenkomst leggen werkgever en werknemer vast welke afspraken tussen hen gelden. Een arbeidsovereenkomst kan een ontbindende voorwaarde bevatten. Als aan de ontbindende voorwaarde is voldaan, vervalt de arbeidsovereenkomst. De ontbindende voorwaarde mag niet in strijd zijn met het gesloten stelsel van regels met betrekking tot de beëindiging van arbeidsovereenkomsten. Een ontbindende voorwaarde die inhoudt dat de werknemer binnen zekere termijn over bepaalde diploma's moet beschikken is toelaatbaar als deze diploma's nuttig zijn voor de uitoefening van de overeengekomen functie.

In een procedure voor de kantonrechter maakte de werkgever aannemelijk dat het behalen van een bepaald diploma van belang was voor de goede en volledige vervulling van de functie van een werknemer. De werkgever had de werknemer twee maal een termijnverlenging gegeven om het vereiste diploma te behalen. De werknemer slaagde er door onvoldoende inzet zijnerzijds echter niet in het diploma te behalen. De kantonrechter vond bij de beoordeling van belang dat het intreden van de ontbindende voorwaarde niet afhankelijk was van het subjectieve oordeel van de werkgever. De opleiding werd namelijk verzorgd door een onafhankelijke derde.

varia

16. Identiteitskaart

Volgens de Gemeentewet mogen gemeenten leges heffen voor diensten die een individualiseerbaar belang hebben. Leges worden onder meer geheven bij de aanvraag voor rijbewijzen en paspoorten. In de Memorie van Toelichting op de Wet op de identificatieplicht is gesteld dat voor de invoering van de identiteitskaart een algemeen identiteitsbewijs in Nederland niet bestond. Tot op zekere hoogte werd deze functie vervuld door het paspoort en het rijbewijs. Daarom werd de invoering van de identiteitskaart voorgesteld die verkrijgbaar moest zijn voor iedere Nederlander die aan de voorgestelde identificatieverplichtingen zal kunnen worden onderworpen. In 2004 is de algemene identificatieplicht ingevoerd. Volgens Hof Den Bosch is vanaf dat moment het publieke belang bij het bezit van de Nederlandse identiteitskaart zo groot geworden dat het individuele belang bij het bezit daarvan van ondergeschikte betekenis is.
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een Nederlandse identiteitskaart mogen volgens het hof geen gemeentelijke leges worden geheven omdat het verkrijgen van een Nederlandse identiteitskaart vooral de publieke taak dient. Er is dan geen sprake meer van een dienst in de zin van de Gemeentewet. De tarieventabel die behoorde bij de gemeentelijke legesverordening was onverbindend voor zover het ging om het in behandeling nemen van een aanvraag voor een Nederlandse identiteitskaart.

17. Dividendnota

Bij de uitbetaling van dividend moet ook een dividendnota worden uitgereikt aan de ontvanger van het dividend. In een aantal gevallen is dat niet meer nodig. Wanneer geen dividendbelasting wordt ingehouden op grond van een wettelijke vrijstelling of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting hoeft geen dividendnota te worden uitgereikt omdat geen inzicht in de ingehouden dividendbelasting behoeft te worden verstrekt en er geen recht bestaat op verrekening, vermindering of teruggave van dividendbelasting. Uitreiking van de dividendnota kan eveneens achterwege blijven bij dividenduitkeringen aan een aanmerkelijk belanghouder. Dat kon al op grond van een beleidsbesluit, maar is nu opgenomen in de wet.

18. Partnerbegrip

Per 1 januari 2011 geldt er voor de belastingwetgeving een nieuw partnerbegrip. Er komt een algemeen geldend basisbegrip, dat in afzonderlijke belastingwetten kan worden aangevuld. Dit basisbegrip luidt als volgt:
Echtgenoten zijn altijd elkaars partner, tenzij zij van tafel en bed zijn gescheiden. Personen die van tafel en bed gescheiden zijn gelden als ongehuwd.
Ongehuwd samenwonende meerderjarigen zijn elkaars partner als zij een notarieel samenlevingscontract hebben gesloten en zij op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Een persoon kan op enig moment slechts één partner hebben.

Voor de inkomstenbelasting geldt de volgende aanvulling op het basispartnerbegrip.
Ongehuwd samenwonenden zonder notarieel samenlevingscontract zijn voor de inkomstenbelasting elkaars partner als zij op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en

  1. zij uit een onderlinge relatie een kind hebben, of
  2. een van hen een kind heeft dat door de ander is erkend, of
  3. zij voor de toepassing van een pensioenregeling van de ander als partner zijn aangemeld, of
  4. zij samen een woning in eigendom hebben

Wie voor een deel van het kalenderjaar als iemands partner wordt aangemerkt, is ook in de rest van het kalenderjaar partner zolang hij op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven.

Niet als partner wordt aangemerkt:

  1. een bloedverwant in de eerste graad van de belastingplichtige, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt;
  2. een persoon die geen inwoner is van Nederland en niet kiest voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.

19. Marge in WOZ-waarde

Ter voorkoming van procedures over kleine waardeverschillen van onroerende zaken bevat de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ) sinds enkele jaren een bepaling dat de bij beschikking vastgestelde waarde geacht wordt juist te zijn, indien de werkelijke waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak binnen een bepaalde marge blijft van de waarde volgens de beschikking.

Volgens de Hoge Raad is deze regeling in strijd met het Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens dat verdrag moet de rechtmatigheid van elke maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, waaronder de heffing van belasting, in een juridische procedure effectief betwist kunnen worden. Bij een WOZ-beschikking met een waarde die binnen de wettelijke marge afwijkt van de werkelijke waarde is dat niet het geval. Een hogere waarde heeft directe gevolgen voor de hoogte van de verschuldigde belastingheffing omdat de onroerende zaakbelasting, waterschapsheffingen en inkomstenbelasting gerelateerd zijn aan de WOZ-waarde. De Hoge Raad vindt het streven van de wetgever om de werklast voor de gemeenten en de rechter in belastingzaken te verminderen geen rechtvaardiging voor de uitsluiting van effectief verweer tegen een onrechtmatige aantasting van het recht op het ongestoord genot van eigendom. De Hoge Raad vindt dat de gemeenten en de rechter de margebepaling in de Wet WOZ in alle gevallen buiten toepassing moeten laten. Het is aan de wetgever om desgewenst een andere regeling te treffen die wel voldoet aan het EVRM.

De procedure had betrekking op een woning met een waarde volgens de WOZ-beschikking van € 99.000. De werkelijke waarde van de woning bedroeg volgens partijen € 95.000. Omdat de afwijking binnen de wettelijke marge bleef, liet de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking in stand. De Hoge Raad stelde de waarde van de woning, conform de eensluidende opvatting van partijen, vast op € 95.000.

Hoewel uiterste zorg is besteed aan de inhoud kan geen aansprakelijkheid worden aanvaard voor juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens.
In deze uitgave is rekening gehouden met wet, regelgeving en gepubliceerd beleid tot 24 november 2010.